De Engelse tekst is de authentieke versie van de Regels voor het Schaakspel,

aangenomen op het 71e FIDE-Congres te Istanbul (Turkije),

november 2000 en geldt vanaf 1 juli 2001.

 

In deze Regels betekenen de woorden ‘hij’, ‘hem’ en ‘zijn’ tevens ‘zij’ en ‘haar’

De Regels voor het Schaakspel kunnen niet alle mogelijke situaties, die tijdens een partij voorkomen, dekken. Evenmin kunnen ze alle administratieve kwesties regelen. In situaties die niet nauwkeurig door een artikel van de Regels worden geregeld moet het mogelijk zijn om tot een juiste beslissing te komen door analoge situaties in overweging te nemen, die wel in de Regels voor het Schaakspel zijn behandeld. In de Regels wordt er vanuit gegaan dat arbiters over de vereiste bekwaamheid beschikken, een goed beoordelingsvermogen hebben en volstrekt objectief zijn. Een te gedetailleerde beschrijving van een regel kan ertoe leiden dat de arbiter niet in volle vrijheid kan beslissen en zou hem daardoor kunnen beletten de oplossing van een probleem te vinden, gebaseerd op billijkheid, logica en bijzondere omstandigheden.

De FIDE doet een beroep op alle schakers en schaakbonden deze opvatting te aanvaarden. Een aangesloten schaakbond heeft de vrijheid om regels die meer gedetailleerd zijn, in te voeren onder voorwaarde dat:

a) zij in geen enkel opzicht in strijd zijn met de officiële FIDE Regels voor het Schaakspel;

b) zij beperkt zijn tot het gebied van de desbetreffende bond;

c) zij niet gelden voor een FIDE-wedstrijd, -kampioenschap of -kwalificatietoernooi, of voor een FIDE-titel- of ratingtoernooi.

 

Artikel 1: Aard en doel van het schaakspel

1.1. De schaakpartij wordt gespeeld tussen twee tegenstanders die om beurten stukken verplaatsen op een vierkant bord, “schaakbord” genoemd. De speler met de witte stukken begint de partij. Men zegt dat een speler “aan zet is”, wanneer de zet van zijn tegenstander is voltooid.

1.2. Het is de bedoeling van elke speler om de koning van de tegenstander zodanig “aan te vallen”, dat de tegenstander geen reglementaire zet heeft die voorkomt dat de koning op de volgende zet “geslagen” wordt. Men zegt dat een speler die dit bereikt, de tegenstander heeft “matgezet” en dat hij de partij heeft gewonnen. De tegenstander, die matgezet is, heeft de partij verloren.

1.3. Als de stelling zodanig is dat geen der spelers nog mat kan zetten, dan is de partij remise.

Artikel 2: De beginopstelling van de stukken op het schaakbord

2.1. Het schaakbord bestaat uit 64 gelijke vierkante velden, in een 8 bij 8 patroon, die afwisselend licht (de “witte” velden) en donker (de ‘zwarte” velden) gekleurd zijn. Het schaakbord wordt zodanig tussen de spelers geplaatst, dat het hoekveld dat het dichtst bij de rechterhand van de speler ligt, wit is.

2.2. Bij het begin van de partij heeft de ene speler 16 lichtgekleurde stukken (de “witte” stukken); de ander heeft 16 donkergekleurde stukken (de “zwarte” stukken). Deze stukken zijn de volgende:

Een witte koning
Een witte dame
Twee witte torens
Twee witte lopers
Twee witte paarden
Acht witte pionnen

Een zwarte koning
Een zwarte dame
Twee zwarte torens
Twee zwarte lopers
Twee zwarte paarden
Acht zwarte pionnen

 

2.3. De beginopstelling van de stukken op het schaakbord is als volgt:

2.4. De acht verticale kolommen van velden noemt men “lijnen”. De acht horizontale reeksen van velden noemt men “rijen”. Een rechte lijn van velden van dezelfde kleur waarvan hoekpunten elkaar raken, wordt een “diagonaal” genoemd.

Artikel 3: De loop der stukken

3.1. Geen stuk kan verplaatst worden naar een veld waarop een stuk van dezelfde kleur staat. Als een stuk naar een veld gaat waarop een stuk van de tegenstander staat, dan wordt dit geslagen en, als deel van deze zet, verwijderd van het schaakbord. Men zegt dat een stuk een veld aanvalt, als het stuk op dat veld iets kan slaan overeenkomstig de artikelen 3.2 tot en met 3.5.

3.2. (a)      De dame kan naar elk veld van de lijn, de rij of een diagonaal waarop zij staat.

       (b)      De toren kan naar elk veld van de lijn of rij waarop hij staat.

      (c)      De loper kan naar elk veld van een diagonaal waarop hij staat.

        Bij deze zetten kan de dame, toren of loper niet over een stuk heen worden gezet.

3.3. Het paard kan naar een van de dichtstbijzijnde velden die niet op dezelfde lijn, rij of diagonaal liggen als waarop het staat. Of er op tussenliggende velden een stuk staat, is niet van belang..

3.4. (a) De pion kan één leeg veld naar voren op dezelfde lijn.

        (b) Bij zijn eerste zet mag de pion twee velden op dezelfde lijn naar voren onder voorwaarde dat beide velden leeg zijn.

(c) De pion kan naar een, door een stuk van de tegenstander bezet veld schuin voor hem op een aangrenzende lijn. Hierbij wordt dit stuk geslagen.

(d) Een pion die een veld aanvalt dat is overschreden door een pion van de tegenstander die vanaf zijn oorspronkelijke veld twee velden in één zet naar voren is gegaan, mag die pion van de tegenstander slaan alsof deze slechts één veld naar voren is gegaan. Dit slaan mag alleen bij de eerstvolgende zet en wordt “en passant” slaan genoemd.

(e) Als een pion de rij, het verst van zijn beginpositie verwijderd, bereikt, dan moet hij, als deel van dezelfde zet, worden vervangen door een dame, toren, loper of paard van dezelfde kleur. De keuze van de speler is niet beperkt tot stukken die eerder zijn geslagen. Deze vervanging van een pion door een ander stuk wordt “promotie” genoemd. Het nieuwe stuk werkt onmiddellijk.

3.5. (a) Met een koning kunnen twee verschillende zetten worden gedaan:

(i ) naar een aangrenzend veld dat niet door een of meer stukken van de tegenstander wordt aangevallen;

of      

(ii) “rokeren”. Dit is een zet van de koning en een toren van dezelfde kleur op dezelfde rij, geldend als een enkele koningszet, en wordt uitgevoerd door de koning van zijn oorspronkelijke veld twee velden naar de toren te verplaatsen en daarna de toren over de koning heen te zetten op het door de koning overschreden veld.

       (1) Rokeren is onreglementair:

     [a] als met de koning al een zet is gedaan, of

     [b] met een toren waarmee reeds is gezet.

        (2) Rokeren is niet toegestaan zolang

[a] het veld waarop de koning staat, het veld dat hij overschrijdt of het veld dat hij gaat bezetten, wordt aangevallen door een of meer stukken van de tegenstander.

[b] als er een stuk staat tussen de koning en de toren waarmee wordt gerokeerd.

(b) Men zegt dat de koning “schaak” staat, als hij wordt aangevallen door een of meer stukken van de tegenstander, zelfs als deze zelf niet kunnen zetten.

Het is niet verplicht mee te delen dat de koning schaak staat.

Een speler mag geen zet doen, waarna zijn eigen koning schaak staat..

Artikel 4: Het uitvoeren van een zet

4.1. Bij het doen van een zet mag slechts één hand worden gebruikt.

4.2. Onder voorwaarde dat hij eerst zijn bedoeling daartoe kenbaar maakt (b.v. door “j’adoube” te zeggen), mag de aan zet zijnde speler een of meer stukken op hun velden rechtzetten.

4.3. Als de aan zet zijnde speler, behoudens het in artikel 4.2 vermelde, opzettelijk op het schaakbord:

(a) een of meer stukken van dezelfde kleur aanraakt, dan moet hij spelen met het eerst-aangeraakte stuk dat gezet of geslagen kan worden;

(b) één stuk van elke kleur aanraakt, dan moet hij het stuk van zijn tegenstander met zijn eigen stuk slaan. Indien dit onreglementair is, dan moet hij het eerst-aangeraakte stuk zetten of slaan dat gezet of geslagen kan worden. Tenzij het tegendeel kan worden bewezen, wordt het eigen stuk van de speler beschouwd als het eerst-aangeraakte.

4.4. (a) Als een speler opzettelijk zijn koning en een toren aanraakt, dan moet hij aan die kant rokeren, indien dit reglementair mogelijk is.

(b) Als een speler opzettelijk een toren aanraakt en daarna zijn koning, dan mag hij bij die zet niet aan die zijde rokeren en is artikel 4.3 van toepassing.

(c) Als een speler om te rokeren de koning aanraakt, of tegelijkertijd koning en toren, maar rokeren aan die zijde niet is toegestaan, dan moet de speler of met de andere toren rokeren (indien toegestaan) of met zijn koning zetten. Is er geen reglementaire zet voor de koning dan is elke andere reglementaire zet toegestaan.

4.5. Als geen der aangeraakte stukken gezet of geslagen kan worden, dan is elke andere reglementaire zet toegestaan.

4.6. Als de tegenstander artikel 4.3 of 4.4 overtreedt, dan kan een speler hiertegen niet meer protesteren nadat hij zelf opzettelijk een stuk heeft aangeraakt.

4.7. Als een stuk op een veld is losgelaten en het een reglementaire zet of een deel van een reglementaire zet betreft, dan mag het niet meer op een ander veld worden geplaatst. De zet is pas gedaan, als aan alle relevante vereisten uit artikel 3 is voldaan.

Artikel 5: Het einde van de partij

Dit beëindigt de partij onmiddellijk.

      (b) De partij is gewonnen door de speler wiens tegenstander zegt dat hij opgeeft. Dit beëindigt de partij onmiddellijk.

 

5.2. De partij is remise als de aan zet zijnde speler geen reglementaire zet kan doen en zijn koning niet schaak staat. Men zegt dat de partij in “pat” eindigt. Dit beëindigt de partij onmiddellijk.

5.3. De partij is remise als beide spelers dit tijdens de partij overeenkomen. Dit beëindigt de partij onmiddellijk (Zie artikel 9.1.).

5.4. De partij kan remise worden verklaard als dezelfde stelling driemaal op het schaakbord tot stand komt of is gekomen (Artikel 9.2.).

5.5. De partij kan remise worden verklaard als tijdens de laatste 50 opeenvolgende zetten door beide spelers geen pion is verplaatst en geen stuk is geslagen. (Zie artikel 9.3.)

Artikel 6: De schaakklok

6.1. Een “schaakklok” is een klok met twee uurwerken, zo met elkaar verbonden dat er op elk moment slechts één kan lopen.

      “Klok” in de Regels voor het Schaakspel betekent een van de twee uurwerken

       Het “vallen van een vlag” betekent het verstreken zijn van de aan een speler toegewezen bedenktijd.

6.2. Bij gebruik van een schaakklok moet elke speler een bepaald aantal of alle zetten doen in een toegewezen tijdsperiode of er kan hem na elke zet extra tijd worden toegewezen. Dit alles moet vooraf worden bepaald.

De tijd die een speler uit de ene periode over heeft, wordt gevoegd bij de tijd die beschikbaar is voor de volgende periode, behalve bij een niet-opsparende tijdsinstelling. Bij een niet-opsparende tijdsinstelling krijgen beide spelers een basisbedenktijd en een vastgestelde tijd per zet. Vermindering van basistijd gebeurt pas nadat de tijd-per-zet is verbruikt. Drukt de speler zijn klok in vòòr het verstrijken van die tijd, dan verandert de basisbedenktijd niet, ongeacht hoeveel tijd-per-zet is verbruikt.

6.3. Elke klok heeft een “vlag”. Onmiddellijk nadat een vlag valt, moet worden gecontroleerd of aan het bepaalde in artikel 8.1 is voldaan.

6.4. De arbiter bepaalt waar de schaakklok staat.

6.5. Als het tijd is om de partij te beginnen, dan moet de klok van de speler met de witte stukken worden aangezet.

6.6. De speler verliest de partij als hij meer dan een uur na het te voren vastgestelde aanvangstijdstip van de zitting aan het schaakbord opdaagt (tenzij de regels van de wedstrijd anders bepalen of de arbiter anders beslist).

6.7. (a) Tijdens de partij moet elke speler die zijn zet op het schaakbord heeft uitgevoerd, zijn klok stil- en de klok van zijn tegenstander aanzetten. Een speler moet altijd de kans krijgen zijn klok stil te zetten. Zijn zet wordt niet als voltooid beschouwd totdat hij dit heeft gedaan, tenzij de uitgevoerde zet de partij beëindigt (zie artikelen 5.1, 5.2 en 5.3).

De tijd tussen enerzijds het doen van de zet op het schaakbord en anderzijds het stilzetten van de eigen klok en het aanzetten van de klok van de tegenstander wordt beschouwd als deel van de bedenktijd die de speler is toegewezen.

(b) Een speler moet zijn klok indrukken met dezelfde hand als waarmee hij zijn zet uitvoerde. Het is verboden een vinger op of boven de knop te houden.

(c) De spelers dienen de schaakklok juist te behandelen. Het is verboden er op te slaan, hem op te tillen of om te gooien. Onjuiste behandeling van de klok wordt bestraft conform artikel 13.4.

6.8. De vlag wordt beschouwd te zijn gevallen als de arbiter het feit waarneemt of als een der spelers dit terecht claimt.

6.9. Als een speler het voorgeschreven aantal zetten niet heeft voltooid in de toegewezen bedenktijd, dan is de partij voor hem verloren, tenzij de artikelen 5.1, 5.2 of 5.3 van toepassing zijn. Als de stelling echter zodanig is dat de tegenstander hem nooit mat kan zetten, door welke reeks reglementaire zetten dan ook (bij het slechtst mogelijke tegenspel), dan is de partij remise.

6.10. Elke aanduiding van de klokken is beslissend tenzij er sprake is van een kennelijk gebrek. Een schaakklok met een kennelijk gebrek moet worden vervangen. De arbiter moet met uiterste nauwkeurigheid bepalen welke tijden op de nieuwe schaakklok moeten worden aangebracht.

6.11. Als beide vlaggen zijn gevallen en het onmogelijk is vast te stellen welke vlag het eerst viel, dan moet de partij worden voortgezet.

6.12. (a)      Als de partij moet worden onderbroken, dan moet de arbiter de klokken stilzetten.

     (b)      Een speler mag de klokken stilzetten om de hulp van de arbiter in te roepen.

     (c)      De arbiter moet beslissen wanneer de partij wordt hervat.

6.13. Als er zich een onregelmatigheid voordoet en/of de stelling moet worden teruggebracht naar een vorige, dan moet de arbiter met uiterste nauwkeurigheid bepalen welke tijden op de klokken moeten worden aangebracht.

6.14. Schermen, monitoren en demonstratieborden die de bereikte stelling, de zetten en het aantal zetten tonen, alsmede klokken die ook het aantal zetten weergeven, zijn toegestaan in de speelzaal. De speler mag een claim echter niet baseren op iets dat op deze wijze wordt getoond.

 

Artikel 7: Onregelmatigheden

7.1. (a) Als tijdens een partij geconstateerd wordt dat de beginopstelling onjuist was, dan wordt de partij ongeldig verklaard en wordt er een nieuwe partij gespeeld.

(b) Als tijdens een partij geconstateerd wordt dat alleen het schaakbord anders lag dan in artikel 2.1, dan wordt de partij vervolgd maar de bereikte stelling wordt overgebracht op een juist geplaatst schaakbord.

7.2. Als een partij begonnen is met verwisselde kleuren, wordt er doorgespeeld, tenzij de arbiter anders beslist.

7.3. Als een speler een of meer stukken niet goed op het schaakbord heeft geplaatst, dan moet hij de stelling in zijn eigen tijd herstellen. Zijn tegenstander heeft het recht zonodig de klok van zijn tegenstander aan te zetten zonder te hebben gezet, zodat herstel van de juiste positie in de eigen tijd van de speler plaatsvindt.

7.4. Als tijdens een partij blijkt dat er een onreglementaire zet is gedaan of dat stukken op verkeerde velden staan, dan wordt de stelling teruggebracht naar die van voor de onregelmatigheid. Als de stelling onmiddellijk voorafgaand aan de onregelmatigheid niet kan worden vastgesteld, dan moet de partij worden voortgezet vanaf de laatste stelling van voor de onregelmatigheid die wél is vast te stellen. De klokken moeten worden ingesteld conform artikel 6.13 en bij een onreglementaire zet is artikel 4.3 van toepassing op de zet die in de plaats komt van de onreglementaire zet. De partij wordt daarna voortgezet.

Artikel 8: Het noteren van de zetten

8.1. Tijdens de partij is elke speler verplicht zijn eigen zetten en die van zijn tegenstander te noteren, zet na zet, zo duidelijk en leesbaar mogelijk, in de algebraïsche notatie (aanhangsel E), op het notatieformulier dat voor de wedstrijd is voorgeschreven.

Een speler mag een zet van zijn tegenstander beantwoorden alvorens die te noteren, als hij dit wenst. Hij moet zijn vorige zet opschrijven voordat hij een nieuwe doet. Het aanbieden van remise moet door beide spelers worden genoteerd (E12).

Als een speler om lichamelijke of godsdienstige redenen niet kan noteren, dan wordt de hem toegewezen bedenktijd bij het begin van de partij zoveel verminderd als de arbiter juist acht.

8.2. Het notatieformulier moet te allen tijde zichtbaar zijn voor de arbiter.

8.3. De notatieformulieren zijn eigendom van de toernooi-organisatie.

8.4. Als een speler minder dan 5 minuten over heeft op zijn klok en er niet minstens 30 seconden per zet wordt toegevoegd, dan is hij niet verplicht zich aan de vereisten van artikel 8.1 te houden. Onmiddellijk nadat een vlag is gevallen, moet de speler zijn notatieformulier volledig bijwerken.

8.5. (a) Als beide spelers volgens artikel 8.4 niet behoeven te noteren, dan moet de arbiter of een assistent proberen aanwezig te zijn en te noteren. In dit geval moet de arbiter de klokken, onmiddellijk na het vallen van een vlag, stilzetten. Beide spelers moeten dan hun notatieformulier bijwerken, gebruik makend van het formulier van de arbiter of van de tegenstander.

(b) Als slechts één speler volgens artikel 8.4 niet behoeft te noteren, dan moet hij zijn notatieformulier volledig bijwerken zodra een vlag is gevallen. Indien hij zelf aan zet is, mag hij het formulier van zijn tegenstander gebruiken. Hij mag pas een zet doen nadat hij zijn eigen formulier volledig heeft bijgewerkt en dat van zijn tegenstander heeft teruggeven.

(c) Als er geen volledig notatieformulier beschikbaar is, dan moeten de spelers de partij reconstrueren op een tweede schaakbord onder toezicht van de arbiter of een assistent, die eerst de actuele stelling moet opschrijven voordat reconstructie plaatsvindt.

8.6. Als niet kan worden aangetoond dat een speler het vereiste aantal zetten heeft gedaan, omdat de notatieformulieren niet kunnen worden bijgewerkt, dan wordt de eerstvolgende zet beschouwd als de eerste van de volgende periode, tenzij het duidelijk is dat er meer zetten zijn gedaan.

Artikel 9: Remise

9.1. Een speler kan remise aanbieden na een zet op het schaakbord te hebben gedaan. Hij moet dit doen alvorens zijn klok stil en die van zijn tegenstander aan te zetten. Een remise-aanbod op elk ander moment tijdens de partij is wel geldig, doch moet worden getoetst aan artikel 12.5. Aan het aanbod kunnen geen voorwaarden worden verbonden. In beide gevallen kan het aanbod niet worden ingetrokken en blijft het van kracht totdat de tegenstander het aanneemt, het mondeling afwijst, het afwijst door een zet te doen, of de partij op andere wijze is beëindigd. Het remise-aanbod moet door beide spelers op het notatieformulier worden genoteerd met het symbool (=).

9.2. De partij is remise, als een aan zet zijnde speler terecht claimt dat dezelfde stelling voor minstens de derde keer (niet noodzakelijk door zetherhaling)

(a) tot stand gaat komen, als hij eerst zijn zet op zijn notatieformulier noteert en de arbiter meedeelt dat hij deze zet gaat spelen;

(b) zojuist tot stand is gekomen.

Stellingen bedoeld onder (a) en (b) worden geacht dezelfde te zijn, als dezelfde speler aan zet is, stukken van dezelfde soort en kleur dezelfde velden bezetten, en de zetmogelijkheden van alle stukken van beide spelers dezelfde zijn.

Stellingen zijn niet dezelfde als een pion en passant geslagen had kunnen worden of als het recht om nu of in de toekomst te rokeren, is veranderd.

9.3. De partij is remise, als een aan zet zijnde speler terecht claimt dat

(a) er met de door hem genoteerde en aan de arbiter meegedeelde zet de situatie is bereikt, dat er met de laatste 50 opeenvolgende zetten van beide spelers geen pion is verzet en geen stuk is geslagen, of

(b) er met de laatste 50 opeenvolgende zetten van beide spelers geen pion is verzet en geen stuk is geslagen.

9.4. Als een speler een zet doet zonder remise te hebben geclaimd, dan verliest hij bij deze zet het recht om op grond van artikel 9.2 of 9.3 te claimen.

9.5. Als een speler remise claimt op grond van artikel 9.2 of 9.3, dan zet hij onmiddellijk beide klokken stil. Hij mag zijn claim niet intrekken.

Artikel 10: Versneld beëindigen

10.1. “Versneld beëindigen” betreft de laatste fase van een partij waarin alle resterende zetten moeten worden gedaan in een beperkte bedenktijd.

10.2. Als de speler minder dan 2 minuten op zijn klok over heeft, dan mag hij remise claimen voor zijn vlag valt. Hij moet de klokken stilzetten en de arbiter waarschuwen.

(a) Als de arbiter ervan overtuigd is dat de tegenstander geen poging doet de partij op een normale manier te winnen, of dat het niet mogelijk is om op een normale manier te winnen, dan moet hij de partij remise verklaren. Anders moet hij zijn beslissing uitstellen.

(b) Als de arbiter zijn beslissing uitstelt, dan kan aan de tegenstander 2 minuten extra bedenktijd worden toegewezen en gaat de partij verder in aanwezigheid van de arbiter.

(c) Als hij zijn beslissing heeft uitgesteld, dan kan de arbiter de partij alsnog remise verklaren, zelfs na het vallen van de vlag.

10.3. Onreglementaire zetten leiden niet automatisch tot verlies. Nadat is gehandeld volgens artikel 7.4, geeft de arbiter de tegenstander twee extra minuten bedenktijd als het de eerste onreglementaire zet van de speler is; bij een tweede onreglementaire zet door dezelfde speler geeft de arbiter opnieuw twee minuten aan diens tegenstander; bij de derde onreglementaire zet door dezelfde speler moet de arbiter de partij voor hem verloren verklaren.

10.4. Als beide vlaggen zijn gevallen en het onmogelijk is om vast te stellen welke vlag het eerst viel, dan is de partij remise.

Artikel 11: De score

11.1. Een speler die zijn partij wint krijgt één punt (1), een speler die zijn partij verliest krijgt geen punten (0), en een speler die remise speelt krijgt een half punt (½).

Artikel 12: Het gedrag van de spelers

12.1. Aan het gedrag van spelers worden hoge eisen gesteld.

12.2. Tijdens het spelen is het spelers verboden gebruik te maken van enigerlei aantekening, informatiebron of advies of op een ander schaakbord te analyseren.

Het notatieformulier mag alleen worden gebruikt om de zetten, de kloktijden, een remise-aanbod en zaken betreffende een claim te noteren.

12.3. Analyseren in de speelzaal, zowel door spelers als toeschouwers, is verboden als er nog wordt gespeeld. Spelers die hun partij hebben beëindigd, worden als toeschouwers beschouwd.

12.4. Het is de spelers niet toegestaan het “spelersgebied” te verlaten zonder toestemming van de arbiter. Onder spelersgebied wordt verstaan: de speelruimte, toiletten, koffiekamer, rookruimte en andere door de arbiter aangewezen ruimten.

De aan zet zijnde speler mag de speelruimte niet verlaten zonder toestemming van de arbiter.

12.5. Het is verboden de tegenstander, op welke wijze dan ook, af te leiden of te hinderen. Ook het alsmaar aanbieden van remise valt hieronder.

12.6. Overtreding van enig deel uit de artikelen 12.2 tot en met 12.5 moet leiden tot straffen overeenkomstig artikel 13.4.

12.7. De partij is verloren voor de speler die herhaaldelijk weigert zich aan de Regels voor het Schaakspel te houden. De score van de tegenstander moet door de arbiter worden vastgesteld.

12.8. Als beide spelers schuldig zijn volgens artikel 12.7, dan moet de partij voor beide spelers verloren worden verklaard.

Artikel 13: De taak van de arbiter (zie Voorwoord)

13.1. De arbiter moet erop toezien dat de Regels voor het Schaakspel strikt worden nageleefd.

13.2. De arbiter moet zodanig optreden dat de wedstrijd optimaal verloopt. Hij moet zorgen voor goede speelomstandigheden en dat de spelers niet worden gehinderd. Hij moet toezien op het verloop van de wedstrijd.

13.3. De arbiter houdt de partijen in het oog, zeker als de spelers weinig tijd hebben. Hij moet erop toezien dat door hem genomen beslissingen worden uitgevoerd, en de spelers zonodig te bestraffen.

13.4. Straffen die de arbiter kan opleggen, zijn:

     (a) een waarschuwing,

    (b) vermeerdering van de bedenktijd van de tegenstander,

     (c) vermindering van de bedenktijd van de in overtreding zijnde speler,

     (d) de partij verloren verklaren,

     (e) een speler uitsluiten van het toernooi.

13.5. De arbiter mag een of beide spelers extra bedenktijd toekennen bij van buiten komende verstoring van de partij.

13.6. De arbiter mag niet meedelen hoeveel zetten er zijn gespeeld, behalve zoals vermeld in artikel 8.5 als tenminste één speler al zijn bedenktijd heeft verbruikt. De arbiter mag een speler niet informeren dat zijn tegenstander heeft gezet of dat hij heeft vergeten zijn klok in te drukken.

13.7. Toeschouwers en spelers van andere partijen mogen niet praten over of zich bemoeien met een partij. De arbiter kan overtreders hiervan, zo nodig, uit de speelzaal verwijderen.

Artikel 14: FIDE

14.1. Aangesloten federaties mogen FIDE vragen om een officiële beslissing te nemen over problemen betreffende de Regels voor het Schaakspel..

* FIDE = Federation Internationale D'Echecs.

Artikel A: Afgebroken partijen

A1. (a) Als een partij niet is beëindigd na het verstrijken van de voorgeschreven speeltijd, dan moet de arbiter de aan zet zijnde speler vragen zijn zet “af te geven”. De speler moet zijn zet op zijn notatieformulier schrijven in een niet voor tweeërlei uitleg vatbare notatie, het notatieformulier en dat van zijn tegenstander in een envelop doen, deze sluiten en pas dan zijn klok stilzetten zonder die van zijn tegenstander aan te zetten. Totdat hij de klokken heeft stilgezet, heeft de speler het recht zijn afgegeven zet te wijzigen. Als de speler een zet op het schaakbord doet nadat de arbiter hem heeft gezegd een zet af te geven, dan moet hij dezelfde zet noteren als zijn afgegeven zet.

(b) Een aan zet zijnde speler die afbreekt voor het verstrijken van de voorgeschreven speeltijd, wordt geacht te hebben afgegeven op het tijdstip waarop de zitting officiëel eindigt.

A2. Op de envelop moeten worden vermeld:

     (a) de namen van de spelers

     (b) de stand van de stukken waarin werd afgebroken

     (c) de door elke speler verbruikte bedenktijd

     (d) de naam van de speler die de zet heeft afgegeven

     (e) het nummer van de afgegeven zet

     (f) het remise-aanbod als dit is gedaan voor het afbreken

     (g) de datum, tijd en locatie van hervatting van de partij.

A3. De arbiter moet de juistheid van de gegevens op de envelop controleren en is verantwoordelijk voor het bewaren er van.

A4. Als een speler remise aanbiedt nadat zijn tegenstander een zet heeft afgegeven, dan is dit aanbod geldig totdat zijn tegenstander het heeft aangenomen of afgewezen zoals in artikel 9.1.

A5. Voor de hervatting van de partij moet de stelling waarin werd afgebroken, op het schaakbord worden opgezet, en de door elk der spelers verbruikte bedenktijd op de klok worden ingesteld.

A6. Als vòòr de hervatting remise is overeengekomen of een van de spelers de arbiter heeft laten weten dat hij opgeeft, dan is de partij beëindigd.

A7. De envelop wordt pas geopend als de speler die moet antwoorden op de afgegeven zet, aanwezig is.

A8. Behalve in de gevallen genoemd in de artikelen 6.9 en 9.6 is de partij verloren voor de speler wiens afgegeven zet:

     (a) voor meer dan een uitleg vatbaar is, of

     (b) onjuist is in die zin dat het onmogelijk is vast te stellen wat is bedoeld, of

     (c) onreglementair is.